De verkeersregels ken ik hier niet, maar voorrang nemen is niet verstandig en voorrang krijgen kun je helemaal op je buik schrijven. Op een fiets(je) ga ik op verkenning door Pingyao, beter dan met de voet, want alles is groot hier in China, behalve de mensen en de fietsen dan. Op de fiets voel ik me vrijer, sneller en het grote voordeel dat ik geen taxichauffeurs of andere zooiverkopendechinezen achter me aan heb. Bij het station parkeer ik mijn fiets voor een kwartje, aardig prijzig, in Utrecht is dit gratis. Het treinkaartje dat ik eerder heb gekocht blijkt een hardseat (houten plank) te zijn voor de duur van 16,5 uur in een krappe wagon met nog tig andere Chinezen. Het moet goedkoop, maar ook wel leuk blijven dus ik ruil mijn kaartje voor een andere bestemming en met een bed. Mijn treinkaart voor vanavond/nacht naar de volgende stad, Xi`an, is wel een stoel. Ritje van 10 uur, 1000 km verderop. Alsof je van Utrecht even naar Oostenrijk reist. Gewapend met IPod, boek en zakje pinda`s (om mee te schieten) vertrek ik richting station.

Mijn armen slapen, ik heb ze zelf bekneld tussen het trein tafeltje en mijn hoofd. Ik zit in het hoekje van de 6 zitter met om mij heen een slapend chinees gezin met zoveel spullen dat ook het gangpad en het stuk beenruimte is gevuld met emmers en tassen. Met mijn, voor de Chineze angstaanjagende grote scheenschoppers, heb ik het gebiedje voor mij in ieder geval vrij kunnen houden. De vader van het gezin, die de hele weg al zijn gulp wagenwijd open heeft staan, opent ook even 1 oog en snurkt weer verder. De kleding die ze aan hebben is al lang niet gewassen. Als ik een weeïge zure lucht ruik blijkt dat mijn buurvrouw haar plastice glitter schoentjes heeft uit gedaan. Trouwens, ik woon zelf ook al een week in mijn zachte nieuwe trui, want laten wassen betekent waarschijnlijk een stuk karton terug.

Een tourtje naar The Army of Teraccotta Warriors doe ik met authentiek vervoer zonder airco en gratis Nederlands sprekende gids 😉 The tombe neemt mij in gedachte mee naar heersende keizers die mensen levend begroeven, slaven lieten werken om enorme paleizen te bouwen en schatten verstopten in geheime kamers achter dikke muren. Terug uit mijn archelogische droom struin ik nog wat over het Muslim Quarter, een enorme markt met allerlei `lekkernijen`. Mensen staan in de rij voor een broodje ontbindend vlees uit vieze pan en er wordt gekluifd aan gefrituurde inktvis op een stokje. Ik kom tot de conclusie dat ik best een boerin ben qua eten en keer met 4 mandarijnen en een zakje cherrytomaten terug.

Een goed uur van te voren ben ik op het station naar alweer de volgende bestemming. Mijn trein nummer staat er niet bij en ik laat mijn kaartje zien aan de balie, ze schudt haar hoofd: `no`. Daar kan ik wat mee en loop verder. Een taxichauffeur leest mee over mijn schouder en begint te Chinezen tegen me. Voor ik het weet staan er wel 8 van zijn taxivrienden om me heen te roepen en te Chinezen. Eentje trekt me er uit, gebaard, druk, Chineest nog wat, kijkt op mijn kaartje en de klok, we moeten rennen. Mijn tas gaat achterin de taxi en ik spring voorin. Ik begrijp dat ik op het verkeerde station ben. We rijden als de bliksem door Xian heen, zoveel stoplichten, auto’s, verkeer, gebouwen, waar blijft dat andere station dan? We zijn de stad inmiddels allang buiten. De wegen zijn slecht en donker geworden en we rijden al 40 minuten. Ik vind het maar niks dat mijn lot in iemand anders handen ligt. De trein missen is vervelend, maar inmiddels zit ik ook in de Middle of no where. Bij elke verlichting hoop ik dat we er zijn, minuten tikken weg, het duurt zo lang en dan zijn we eindelijk gearriveerd. Natuurlijk maakt meneer taxi spleetoog misbruik van de situatie en laat me veel te veel betalen. Ik moet wel, anders krijg ik mijn tas niet uit de achterbak. Ik ben boos en gefrustreerd, zeg dat hij naar het hiernamaals kan lopen, schop een bult op mijn voet tegen zijn deur en ren vervolgens naar de trein. Die haal ik.
Een chinees ligt al in mijn bed, maar maakt plaats als ik mijn kaartje laat zien. We zijn er snel, de conducteur moet me wakker maken. In de weerspiegeling van de ruit zie ik flinke wallen onder mijn ogen, Chinese wallen, zo heb ik ze in Nederland nog niet gezien. Met de metro kom ik in Chongqing. Wederom een enorme stad en omdat ik de touwtjes graag zelf in handen hou besluit ik te lopen naar het hostel in plaats van een taxi te nemen. Mijn kaart laat nog geen eens de helft zien van de vele straten die hier zijn, elk kruispunt heeft weer 6 kanten en alles is in het Chinees. Ik loop verkeerd, verdwaal en vervloek mezelf om mijn onkundigheid in richtingsgevoel en kaartlezen. Chinezen die tourtjes aan mij willen verkopen krijgen in plaats van een `no thanks` het Hollandse `Opzouten` te horen, dit werkt overigens wel uitstekend. Ik weiger een taxi te nemen, ik moet en zal het vinden. Na 2 uur zoeken vind ik, een paar centimeter ingeklonken en bezweet door mijn backpack, het hostel.
In het hostel wordt ik vriendelijk ontvangen, ik plof neer op de bank en kijk uit over de Yangzi River. De apparatuur gaat aan de stroom en ik laad mezelf op met rijst, tomaat en ei en een gratis kopje koffie of biertje. Gezien de tijd (11.15) kies ik voor koffie, maar een biertje had ik best gelust.

Advertenties