Een stempel in je paspoort kost tijd en geld dus ik neem de bullet naar de kust van Beihai. Een plaats waar een miljoen mensen wonen, hier is dat een kleine stad. Als die Chinezen nog eens verzinnen met zijn allen in opstand te komen vormen ze een aardig leger. Gelukkig zijn de Chinezen erg op zichzelf en heb ik niet het idee dat ze zitten te wachten om ten strijde te trekken. Ze denken niet aan een ander: in de rij dringen ze voor, er is nog nooit een auto gestopt voor een zebrapad en in de trein moeten ze als eerste naar binnen. Zelfs de politieagent die driftig met zijn fluit het verkeer probeert te regelen wordt genegeerd. Toch is er ergens wel gezag, want China voelt heel veilig en ik denk dat de Chinezen weinig durven te flikken. Hoge straffen misschien? Gezichtsverlies? Of toch gewoon een goed volk dat op zichzelf is en elkaar dus ook met rust laat.

Behai wordt door de Chinese brochures geroemd om The Silver Star Beach, het mooiste strand ter wereld… Helaas voor de Chinezen, ze willen graag van alles het mooiste, belangrijkste, prachtigste, bijzonderste hebben, maar het enige wat ze hebben is de meeste: de meeste landgenoten en de meest gesproken taal ter wereld. Behai komt geen eens in de buurt van een mooi strand, het is vooral weer heel erg groot, zo groot dat ik op sommige plekken de zee niet kan zien. De boulevard is al even romantisch opgebouwd uit vuilnis, kapotte muurtjes, gebouwen in puin of aanbouw en toeterende scooters. De haven ligt droog en vol met scheepswrakken. Het past wel weer perfect in het Chinese plaatje. Het weer is ook waardeloos dus dat helpt niet mee en mijn tas van de ANWB (made in China) is zo waterproof als een mandje. Er is geen westerling te bekennen. Dat maakt dat ik weer mag genieten van veel Chinese aandacht. Op de foto met giechelende meisjes, roepende mannen die benieuwd zijn of er ook geluid uit komt. Ik weet een beetje hoe het voelt om beroemd te zijn, al weet ik nog niet of ik in de categorie filmster of pratende aap val.

De aankomst in Nanning verliep verrassend goed. Ik liep in 1 lijn naar het hostel, geweldig. Het is zaterdagavond, dat betekent weekend, drukte op straat en een enorme nightmatket. Rijen en rijen met kraampjes kleding, prullaria en eten. Tussen de kraampjes door lopen een paar duizend Chinezen. Elke stad heeft weer zijn specialiteiten en eigenaardigheden en ik vind het heerlijk om het steeds weer te ontdekken. Struinen, struinen is wat ik in elke stad weer doe om mijn nieuwsgierige ogen de kost te geven. Een vrucht zo groot als een emmer trekt mijn aandacht. De vrouw snijdt een paar stukken los, likt aan haar vingers en stopt de stukken in het zakje. Goed, maar niet teveel bij nadenken en een paar bacteriën extra zal me alleen maar sterker maken, of zoiets. Er worden hele kippen recht voor de neus van de koper ontdaan van ingewanden en kop. Een geit wordt in moten gehakt en zijn bloedende kop ligt als bewijs op de werkbank. En ja, een hotdog heeft hier een letterlijke betekenis. Hij hangt gehalveerd met zijn kop aan een haak. Het is hypocriet, maar ik eet weer vegetarisch vanavond. Misschien moeten ze in Nederland ook de kop van het dier tentoonstellen. Ergens is het wel goed om je eraan te herinneren dat vlees wel van een dier komt en niet vanzelf zo in perfecte stukjes in het koelvak terecht is gekomen. Daar is wat leed aan vooraf gegaan.

Het oversteken van de straat gaat het beste met een paar Chinezen als levend schilt, zijn die niet voor handen (die kans is zeer klein) is er altijd nog optie 2: loop recht, zelfverzekerd en zonder te stoppen op je doel af alsof de weg van jou is. Kijk vooruit, maar zonder oogkleppen. Dreigt dit te mislukken, ren dan naar de eerstvolgende witte lijn, een rustpunt, waarbij je optie 1 weer kunt oppakken. Ik wordt er al goed in. Net als met stokjes eten, er floept minder in het rond en veel eten bereikt ook daadwerkelijk mijn mond in plaats van de tafel of de grond.

Deze chinees kijkt mij wel heel erg lang aan. Hij houdt me in de gaten en observeert me terwijl ik naar de bar van het hostel loop. Ik kijk hem aan en geef hem een `Wat moet je van me` blik. Hij komt schoorvoetend op me af en vraagt of ik Chinees spreek. Nee natuurlijk niet. Er komt een boek bij, moeilijk moeilijk, gebaren, hij wil mijn kamernummer weten. Dacht het niet, de groeten, hij kijkt maar even, ik ga met mijn gekochte biertje terug naar mijn hoekje. 2 minuten later, daar heb je hem weer, nu met een tolk, wat moet die gast joh. Hij wil weten of ik alleen reis en van plan ben om naar Vietnam te gaan, ehh ja, en of ik dan zijn vriendin die ook naar Vietnam wil reizen mee kan nemen… Oké… dat is weer een nieuwe in de categorie Maffe Chinezen. Ik gooi het er maar op dat ik bang ben voor Chinese vrouwen en dus liever alleen reis. Hij neemt genoegen met mijn antwoord en laat me verder met rust.

Het hostel in Beihai is hetzelfde als de boulevard. Vies, oud en de jongeren die het runnen hebben weinig trek in schoonmaken. Wel hebben ze trek in eten en ik kan ook aanschuiven. We zitten aan de kust dus er komen garnalen, schelpdieren en vis op tafel. Ze zijn gastvrij en willen graag dat ik het kaartspel Uno! mee speel. Nog nooit van gehoord, maar het blijkt een soort Pesten te zijn. Uiteraard met een chinees tintje: de winnaar van de ronde mag op het gezicht van de verliezer met verf kliederen. Waarschijnlijk hadden ze de hoop mijn blanke wangen te kunnen bekladden, maar ik ben degene die de snorretjes bij de Chinezen zet. Het is lachwekkend en ik leer weer wat Chinese woorden. De douche die boven de met stront besmeerde wc (gat in grond) is sla ik over voordat ik op mijn houten plank kruip. Hoe gastvrij ook, ik ga opzoek naar een ander hostel voor mijn idyllesche 2e nacht aan de kust.

Vol verbazing gaat de deur open, wat ik kom doen in Beihai. Dat vraag ik me, een uur lopend en druppend van de regen, inmiddels ook af. In ieder geval zoek ik een schone wc en douche. Die hebben ze. De plank als slaapplek blijft, maar dat went, als de plank maar schoon is vind ik het goed. Ik eet ook hier mee met de gastvrije vader en moeder, tegen betaling uiteraard ( €1,13) en ik mag de fiets van zoon Lee lenen om naar Thé Silver Star Beach te gaan. Een bezoekje aan The Old Town van Beihai spreekt wel tot de verbeelding. Het lijken wel Hollandse trapgevels en de straten zijn heel sfeervol. Er worden `echte` parels verkocht en zakjes met zuiverend wit poeder voor op je gezicht. Ook staan er veel standbeelden van westerse belangrijke figuren. Ik kom er niet zo goed achter waarom, maar het is leuk om dit stukje van Beihai te ontdekken. Een nieuwsgierig jongetje van een jaar of 3 pakt een krukje en komt naast mij zitten, hij is geintreseerd in het fluroriserende fluitje aan mijn tas. We kletsen wat en hij laat trots het beertje op zijn smoezelige pakje zien.
Zijn vader komt eens polshoogte nemen en ik zie gelijk van wie hij dat `gezellige` gezicht heeft. Als het jongetje weg loopt kijk ik tegen zijn blote billen aan. Dat blijft toch gek die open geknipte broeken bij die kinderen en het lijkt me wel best wel frisjes.

De nacht is onstuimig met wind en regen en dat maakt dat ik onrustig slaap en lig te woelen in mijn bed. Dit is wel een plank in de buitencategorie en ik heb het idee dat ik bij elke beweging een blauwe plek scoor.
Ik ontbijt weer met de smakende en slurpende familie. Rijstepap met krenten behoeft verder weinig uitleg en gestoomd brood om erin te dopen, dat is al even smakeloos. Gelukkig komt er nog wat groenten op tafel, een eendenei en er gaat een vacuumzakje open. Zo’n zakje waar de winkels vol mee hangen, maar waarvan ik de inhoud niet altijd kan definiëren. In dit geval zijn het pittige groenten en beefreepjes, dat valt mee, ik heb vaak kippenpoten en dan bedoel ik echt de poten in die zakjes zien zitten. Uit ` fatsoen` maak ik ook 3 smakjes, maar mijn westerse opvoeding maakt dat er een schaamtegevoel optreedt waardoor ik er gelijk mee stop. Mevrouw Lee schaamt zich niet en praat met volle mond en wijzend naar mij over hoe ik eet of ik het niet koud heb en dat ik er zo sterk uitzie. Vervolgens wijzend op de magere armpjes van haar zoon die vroeger meer melk en vlees had moeten eten vind ze. Ik denk niet dat de tengere Chineesjes tegen mijn oerhollandse genen aan kunt eten, mevrouw Lee. Ik vertrek en de vriendelijke familie zwaait hun enige gast bij de voordeur uit.

De laatste voetsporen in China laat ik wel erg letterlijk achter. Ik banjer door een net wit geverfd wegdeel. Daar zetten ze ook niet even een hekkie omheen. Wel leuk dat ik mijn voetafdruk nu in Nanning heb staan. Ik neem nog een laatste lunch: witte rijst en verschillende groenten bereid met kruiden in de wok, geserveerd met een bouillonnetje, mijn favoriet. En ik schrijf een kaartje aan oma.

Ik ben blij verast door de schone trein met dichte coupés die ik deel met 3 jonge Chinezen. Ik wist niet precies of ik een stoel of bedkaartje had en iemand in het hostel had gezegd dat het wel een stoel zou zijn vanwege mijn ticketprijs. Nou, ik zal het haar nog sterker vertellen, ik heb een zogenaamde softsleeper, dat is niet zo maar een bed, maar een zachte en ik heb 2 kussens, dit moet een comfortabel reisje worden. Goed en wel geïnstalleerd wordt er op de deur geklopt voor de derde paspoort controle. Ik ben benieuwd wat er vannacht aan de grens gaat gebeuren, maar ik heb geen angst dat ik China niet uit mag of Vietnam niet in.

Het is ongelofelijk wat ik de laatste 25 dagen allemaal heb gezien en mee gemaakt. Het was prachtig, het was vies, ik heb gelachen en soms kon ik wel janken, maar ik heb het allemaal doorstaan. Ik heb mezelf in China geworpen en ik heb er geen seconde spijt van. Ik heb gedwaald, gezocht, maar ik wist altijd dat het goed zou komen. Het voelt een beetje als een kleine overwinning. ( A small Victory, by: Faith No More)

Advertenties