Oei, fuck, shit, nee, remmen!!!! Kloenk, kedeng, bam, rammel, te laat. Met een lekker gangetje rij ik door een enorm gat in de weg. Mijn motor klinkt alsof alles ervan af valt, inclusief ik zelf, maar ik laat me niet zomaar van mijn stalen ros gooien. Dat ging net goed, maar voor ik goed en wel ben herstelt zwabber ik alweer door het volgende grindpad. Het is hard werken om mijn motor overeind te houden en dat duurt nu al zo`n 4 uur. Ze zijn aan de weg aan het werken, van A naar Beter, maar dan op zijn Vietnamees. Dat wat er nog over was van de weg is opengereten en het `nieuwe` stuk is een rally door stenen, modder en stof wat door de enorme rol machines nog aan geperst moet worden. Er wordt niks afgezet, je slalomt gewoon tussen deze enorme werktuigen door. De vrachtwagens denderen door de werkzaamheden heen en doen een hoop stof opwaaien. Stof nestelt zich in onze neus en poriën. We mogen zelfs niet aan de noodlesoup beginnen van het mevrouwtje voordat we onze gezichten hebben gewassen. De omgeving is hier minder fraai en de ogen moeten op de weg blijven. Steeds als er een nieuw plakje asfalt ligt hopen we dat het klaar is, maar het stukje is goed voor 500 meter en we zitten weer in een grindbak. Het vergt veel van onze lichamelijke en geestelijke energie. Voor mijn neus zie ik Margot ook in een zwabber schieten en ze valt van haar motor af. Het was bijna te verwachten, gelukkig komt ze er met een schram van af. Zwart, moe en een beetje teleurgesteld wijzen we op een bord groente dat ons lekker lijkt in de middag. We krijgen kip met rijst, bijna hetzelfde, maar dat smaakt heerlijk. Het laatste uur naar Dalat worden we gelukkig verwend met een prachtige route door de bergen, waardoor we de asfalt ellende van de dag snel vergeten. Op een prachtig uitzicht stoppen we even voor een fotootje en ik hoorde wat raar geluid aan mijn motor dus gelijk even checken. De hobbels hebben geen goed gedaan en ik zie dat mijn frame waar mijn backpack aan zit finaal is afgebroken. Tas dan maar op mijn buddyseat, stuk motor bij Jessie vastbinden en weer verder rammelen. Nog 10 kilometer te gaan, en dan ruik ik een enorme benzinelucht, nee hè, weer benzine ergens uit de motor waar het niet hoort. Ik besluit door te scheuren naar Dalat en daar is het lek nergens meet te bekennen. Goed spul die Vietnamese motoren.

Dalat noemt zichzelf het kleine Parijs. Zover als Dalat van Parijs af ligt, zover ligt ook de waarheid van de werkelijjkheid. De zogenaamde IJffeltoren is een soort televisiemast en de straten zijn zoals overal in Azië bezaaid met eetstalletjes, kraampjes, rotzooi, verkeer, fruit, souvenirs ( of nog een keer rotzooi dus) en kakkerlakken. Wat ik overigens juist erg leuk vind aan Azië, behalve dat laatste dan misschien. Iedereen leeft op straat en er is altijd wat te zien. Ik merk dat ik begin te wennen aan dit leven. Dingen die ik eerst nogal vreemd vond zijn inmiddels normaal geworden: dat mensen aan het infuus liggen in een boekwinkel, dat je eerst de winkelier moet wakker maken voordat je kunt betalen, dat mijn kopje thee uit een grote blauwe emmer op straat wordt geschept, dat ik zelf mijn kip moet ontleden, dat oplichterij gewoon een spel is dat ik inmiddels ook speel, dat je op een scooter makkelijk 5 personen kunt vervoeren ( of 6 varkens en 30 eenden) en dat plassen hangend boven een gat gaat. Het geeft rust om de gewoontes te kennen in het heerlijke chaotische Azië.

Het gaat er al de hele trekking over en tijdens het abseilen: wie springt er straks van 11 meter en wie van de 7 meter rots. Bij de 11 meter moet je rennen en springen want er steekt onder een rots uit. Het abseilen is fantastisch door watervallen en langs stijlen rotsen, midden in de natuur. Via de wildwaterbaan en wat klimmetjes naar boven staan we daar, op dat punt. Ik kijk naar beneden van de 11 meter en iets in mij zegt: go for it. Alleen ben ik niet zo`n goede springer, kom ik wel ver genoeg? De rest van de groep staat nog wat schaapachtig te kijken als ik als tweede van de rots spring. Kriebels gieren door mijn lijf en voor ik het weet plof ik in het water. Jessie volgt en de grootste monden pakken toch maar de 7 meter. Voorruit, we doen het nog een keer voor, maar ze durven het niet aan. We waren al helden door op de motor aan te komen, maar nu worden we bijna op een voetstuk geplaatst.

Daar gaat ie, weg met de nieuwe eigenaar en mijn motor is niet langer onder mijn handen. Mojn orange beauty, waar ik zoveel prachtige avonturen mee heb beleefd. Het is jammer dat het motor avontuur is afgelopen, maar ik ben ook blij dat alles goed is gegaan, dat ik niet in de bak zit voor het rijden zonder Vietnamees rijbewijs, dat ik niemand heb aangereden en ook dat niemand mij heeft aangereden. Bovendien verkoop ik de motor met winst, dat verzacht de pijn. De laatste rit Saigon in was een chaotisch gekkenhuis. Enorme rotondes waar iedereen zelf even moet kijken hoe hij zich naar de overkant beweegt en dat dan met 637 scooters, 24 auto’s, 41 voetgangers en 7 bussen tegelijk. Het is een levend stratego om de juiste weg te kiezen en tussen de scooters door te slalommen om de vlag te vinden. De vlag, het hostel, vinden we, midden in het drukke Saigon. Een toeristische stad met, voor mij, teveel gepimpte bars, ouwe mannen met jonge Vietnamezen en Westers eten. Een Italiaan van een jaar of 45 springt voor mijn neus met de vraag waar ik vandaan kom, waar ik naar toe ga en dat ik er zo leuk uit zie. Wat een gladjanus denk ik, wat moet hij van me? Dit is niet de aanknoping voor een gezellig klets praatje, maar voor een zo snel mogelijk bedplaatje. De laatste keer dat ik mij liet inpalmen door een Italiaan was ik 17, inmiddels weet ik beter en ik geef hem `The Finger look`, zonder Finger uiteraard, want ik hou het wel netjes.
Echt indrukwekkend cultuur snuiven doen we in het oorlogsmuseum met foto’s waar de rillingen van over je lijf lopen. Verminkte mensen, martelingen en massamoorden. Een bezoek aan de tunnels vanwaaruit de Vietnamezen zich 20 jaar verdedigden en woonden is extra spannend door de vleermuis die 2 keer door mijn haar vliegt en vervolgens in het gangetje gaat hangen waar ik nog doorheen moet. Het is heel vreselijk om te zien wat mensen elkaar allemaal aan doen en dat al voor eeuwen lang, zal het ooit stoppen?

De bus heeft mij over de grens naar Cambodja gereden en met de transfer (achter op een brommertje) ben ik door Phnom Penn heen naar de bus die richting de kust gaat gebracht. De eerste vriendelijke gezichten van Cambodja heb ik al gezien. De reis duurt 6 uur langer dan gepland en we moeten veel wachten. Nu voel ik helemaal hoe vrij ik op de motor was en hoe veel meer je van het land mee krijgt als je zelf daadwerkelijk op de weg zit. Ik ben dankbaar voor hoe ik Vietnam heb mogen beleven, met alle risico’s van dien, mag ook dit deel van mijn reis een wonder heten.