Al een paar uurtjes zit ik met mijn neus tegen het raam geplakt. De vrachtwagen die op zijn kant tegen de afgrond lag vergeet ik maar even voor het gemak, want het uitzicht op de bergen en dalen is echt prachtig. Ik zie mijn eerste Alpacas rondlopen, levend en wel. De eerste kangoeroes die ik zag in Australië waren allemaal dood. Ook koeien, ezels en paarden lopen in de bergen rond. Toch dommel ik, in dit 8 uur durende ritje, even in slaap en als ik mijn ogen open zitten we tot mijn schrik in de sneeuw. Het hoogste punt is bereikt. We zitten op 4900 meter en ik werd ook wakker, omdat mijn adem wat stokte. Het dorpje zelf ligt op 3200 meter en vanaf daar zal ik te voet de Canyon del Colca ingaan. Een canyon, dieper dan de Grand van de US, ik ben benieuwd.

Dat wordt relaxed, dacht ik nog, de eerste dag is 1200 meter omlaag. Maar bij lopen is omlaag onderhand net zo zwaar als omhoog (hier kom ik overigens later nog op terug). Het is stijl, je glijdt weg en af en toe moet je flinke sprongen nemen. Mijn bovenbenen staan strak en trillen van al het remmen. Mijn tenen zitten al een paar uur tegen de voorkant van mijn schoenen gedrukt. Zuchtend kijk ik even omhoog als er een enorme condor boven mijn hoofd vliegt. Heel bijzonder want (volgens de touroperators) zie je die alleen maar op bepaalde plekken en tijden. Die plek is dus hier, waar niemand is, alleen ik, een Italiaan en een Amerikaan die besloten op eigen houtje de bergen in te gaan. Het is hier groen, maar ook droog. Het staat bezaaid met enorme cactussen, dat heb ik nog niet eerder in bergen gezien. Ik ben verbaasd over de hoeveelheid kleur en bloemen op deze hoogte. Het is echt een andere wereld. We horen de rivier stees harder razen, een teken dat we niet ver van onze eerste bestemming zijn. Een piepklein dorpje, tussen de canyon ingeklemd, ligt op ons te wachten. We worden hartelijk begroet en gelijk naar de hotsprings gebracht. Mijn houten huisje heeft enkel een bed, dat nog ruikt naar de vorige mensen die erin hebben gelegen. Met kaarsen en zaklampen eten we het diner: een dikke aardappelsoep en rijst met fruit en groenten. Daarna een potje toepen met wat andere reizigers die het dal ook hebben gevonden, maar om 9 uur moeten we van moeder Overste naar bed.

Met spierpijn van gister in de benen en 2 dikke pannenkoeken in ons maag beginnen we om 7 uur aan de eerste beklimming. De enige route naar het volgende dorp is via een dorp dat op +700 meter ligt. We gaan dus eerst omhoog om vervolgens weer af te dalen. Erg efficiënt is het niet dat wandelen in de bergen, maar mooi is het wel, dat wel. Om 11 uur zijn we al in het dorpje dat de oase wordt genoemd. We vinden de oase wat tegen vallen en besluiten om de wandeling van morgen, ook vandaag te doen. Een klim vanuit het oasedal, terug naar ons begindorp Cabanaconda. Eerlijk toegeven, ik heb een paar keer een vloekje laten vallen, want aan deze stenen muur lijkt geen einde te komen. Als de top in zicht is, ligt er weer een andere top achter verborgen. Mijn benen willen niet meer, mijn hoofd duizeld en de zon frituurt ons levend. Waar zijn we in hemelsnaam aan begonnen. Ik praat mezelf moed in: morgen hoef ik het in ieder geval niet te doen, het uitzicht is echt mooi, straks ben ik heel trots en tot slot: aan alles komt een einde. En het einde kwam, en de trots ook. Een dag van 8 uur lopen met 1900 meter omhoog en 700 omlaag, ik kan het nog steeds niet geloven. Vandaag doet alles zeer. Vooral mijn benen natuurlijk en mijn voeten. Ik ben wel over mijn grens gegaan en dat is wel eens goed, maar ik sta niet te springen om het weer te doen.

​​

De vrouw pakt de sleutelbos uit haar tas en begint op het raam van de bus te rammen. Nog wat mensen vallen haar bij en stampen op de grond en kloppen op de ramen. De bus zou een kwartier geleden vertrekken, maar we staan nog stil. Ik ben verbaasd over het protest, ze zijn nogal punctueel hier. Vamos! Vamos! wordt er geroepen en nog meer geklop en gestamp, het lijkt te werken, we gaan. Op het drukke busstation heb ik een paar uur de tijd gehad om mijn ogen uit te kijken. Als koehandelaars staan verschillende busmaatschappijen hun ritjes schreeuwend aan te prijzen. De plaatsnaam van bestemming wordt achter elkaar door geroepen, liever nog harder dan concu-buurman. Daarnaast staan de jonge vrouwen hun waar in hun winkeltjes aan te prijzen. Brood, snoep, fruit nog een laatste maaltijd of water. Iedereen probeert met zijn stem de mensen te lokken. Ik heb door het geroep een veel te goedkoop buskaartje geregeld, maar het pakt gelukkig goed uit. Een lief klein jongetje van 4 heb ik de hele nacht naast me die af en toe lekker tegen mij aan slaapt.

In Cusco ontmoet ik Andre Aggasi junior. Een gezellige knappe fransman waar ik ontbijt, lunch en diner mee deel. We proberen uit de wirwar van informatie te komen die er is voor het wereldberoemde Machu Picchu. Prijzen variëren en er zijn veel te veel touroperators en mogelijkheden. We leggen het even naast ons neer en verkennen Cusco. Een mooie stad, op, in en tussen de bergen. Het is gezellig met marktjes, mooie kerken en kathedralen en een groot plein met bomen en grasveldjes. We sluiten af met een Peruviaans diner. André kiest voor alpaca en cavia (Aagassie) en ik ga voor de groente omelet met rijst, aardappel en salade.
De date was eenmalig, want André keert alweer terug naar Frankrijk en ik zal de komende dagen af gaan reizen naar een paar ingevallen gebouwen die de Inca’s jaren geleden gemaakt hebben. Mindblowing, zeggen ze, ik hoop het, want er gaan wel weer wat klimmetjes aan vooraf. Ging ik dat niet meer doen? Toch maar wel, nu de spierpijn aardig weggetrokken is, denk ik dat ik de wereld en in het bijzonder Peru wel weer aankan.

Alhoewel, mijn bankpas is zojuist door de automaat ingeslikt en mijn reserve pas niet werkt bij de 24 automaten die ik geprobeerd heb. Volgende keer neem ik echt een sok met al mijn geld mee. Maar nu eerst maar wat proberen te regelen. Spaansbenauwd krijg ik het ervan. Ook van fotos  uploaden trouwens dus die houden jullie nog tegoed:-)​