De bus gooit me om 4 uur ‘s nachts de straat op, 2 uur eerder dan ze hadden gezegd. Het is uitgestorven en de taxi’s die nog rijden zien er niet erg betrouwbaar uit. Ik weet de weg naar het hostel, want ik was al eerder in Sucre, maar het is een wandeling van een half uur. Ik baal, ik zweet, ik ben bang, mijn hart klopt en ik vloek in gedachte. Dit is het perfecte moment om mij te beroven van alles wat ik heb of misschien nog wel erger… word ik meegenomen, ontvoerd, mishandeld, oh shit ik moet echt die nare gedachtes uit zetten. Al snel wandelend verdeel ik mijn pasjes en het meeste van mijn geld over mijn ondergoed. Ik stop nog wat geld in mijn zak om in geval van beroving af te geven. Als ik niets op zak heb gaan ze misschien verder zoeken, en als ik snel wat af kan geven wordt ik misschien gespaard. Als een auto voorbij rijdt kijk ik weg, in de hoop dat ze niet gelijk zien dat ik een Gringo ben. Maar met mijn backpack met al die gezellige vlaggetjes erop is dat nogal snel gezien. Het is ongelofelijk hoe leeg en stil de straten zijn. Overdag is het een gezellige chaos met kraampjes, markten, kleedjes met kettingen, zwervers, autos, verkeer, mensen, etenswaren en politie. Een enkele schoonmaker is de straat op dit uur aan het vegen. Ze houden het centrum van de stad hier echt schoon. Gebouwen worden ook regelmatig geverfd en er is veel onderhoud aan de straten. Met zweetvlekken van mijn oksels tot aan mijn onderrug bereik ik het hostel. De portier die gelukig open doet, herkend me en laat me binnen. Ik kan hem wel knuffelen en heb moeite om een paar tranen van de ontlading in te houden. Ik heb het gehaald.   

De laatste maaltijd neem ik in mijn favoriete cafe. Ze kennen me inmiddels bij naam dus het wordt ook wel eens tijd om Sucre te verlaten. Mijn Spaanse lessen zijn klaar en ik moet de veilige gesprekken met mijn leraar gaan vervangen voor gesprekken op straat, de enige manier om het echt te leren. In de bus komt Cesar naast mij zitten, een aardige oude opa met veel oude parfum op. Het busje is nogal klein en een gesprek is snel aangeknoopt. We praten lang over koetjes en kalfjes en ik weet ook wat koetjes en kalfjes te noemen. Cesar praat graag nog even verder, maar het begint een monoloog te worden die ik niet meer volg dus ik kap het langzaam af. De oude parfum lucht van Cesar houdt me wakker en dat hij inmiddels snurkend op mijn schouder ligt te slapen helpt ook niet echt mee. 


In de volgende bus ontmoet ik een groep Australiërs en Engelsen die ook hun weg aan het maken zijn naar het Toro Toro National Park. Een sportbh had best een goed idee geweest op de uren durende hobbelweg. Het uitzicht veranderd langzaam in meer woestijn, rode droogte, bergen en opgedroogde rivieren. We stoppen in een dorpje waar de chauffeur iets eet, maar wij voor de veilige optie van een pak crackers gaan. Ik ben inmiddels al iets te vaak ziek geweest in Bolivia. Bovendien is het aanbod, zoals meestal, rijst met kip en aardappels en het liefst nog pasta erbij. Een berg koolhydraten die een topsporter wel kan gebruiken, maar waarvan vooral veel dames hier de restanten op hun heupen bewaren.

Zonder dat ik het weet ben ik in Jurassic Park belandt. Het Toro Toro Park ligt vol met fossielen en voetafdrukken van verschillende dinosauriërs. We kunnen alles goed bekijken en aanraken. Mijn hand in een afdruk van miljoenen jaren oud. De afdruk van de brachiosaurus is de mooiste en in gedachten rijd ik rond op zijn rug. Hij brengt ons naar de watervallen in de diepe canyon. Een canyon vol met roofvogels, stijle wanden en bomen en planten die eigenwijs hun wortels tussen de rotsen nestelen. De rivier is op de meeste plaatsen opgedroogd en heeft voor ons een mooi pad achtergelaten met bijzondere figuren en uitgeslepen kunst. Het kleine dorpje biedt ons onderdak en we krijgen toch nog ons bord rijst met aardappels en pasta. 




Het natuurgebied heeft nog meer verrassingen. Onder het mooie gebergte liggen kilometers grotten. De bovengrondse grotten, zoals ze het hier noemen, zijn een soort natuurlijke huizen in de bergen. Grotere en kleinere kamers, bogen, overkappingen en feestzalen. De akoestiek is perfect en het kleine muziekboxje dat een van de Australiërs heeft vult de hele zaal met de beats. We dansen en houden een kleine cave-rave. Het is gezellig met de Australiërs en ik ben blij dat ik dit met ze kan delen. Het mooiste grot spektakel moet nog komen. We gaan de donkere gangen van de onderwereld verkennen. We worden uitgerust met een helm en lampje en duiken de mijnen van The Lord of the Rings in. Op mijn buik of gehurkt kruip ik door de gangen. Best wel spannend allemaal zo onder de grond. De helm is niet voor niets, want de stalagtieten zijn moeilijk te ontwijken. Het is nat en klam in de grot en het geklim en geklauter maakt het zweterig en plakkerig. Elke benauwde gang opent weer in een nieuwe zaal. Gebouwd van gladde stenen, pilaren, waterpoeltjes, ronde vormen en druipers. Met de lampen uit is het aardedonker. Toch leven er wat vissen in de poeltjes. Mijn eerste angst van gevangen zitten in een grot is totaal verdwenen, omdat ik niet had verwacht dat het zo mooi zou kunnen zijn in de krochten van de onderwereld.


Terwijl ze met ons staat te praten peurt ze met een wattenstaafje in oor. Ze kijkt rustig naar de buit die ze eruit haalt en steekt het stokje nog eens terug en vervolgens in de zak van schort. Ik probeer er niet naar te kijken, maar als het voor je neus gebeurd dan ontkom je er niet aan. Net als die vrouw, die in de mooie stad Arequipa, op een brug met veel verkeer en voetgangers, haar behoefte in een zakje probeert te mikken. Deze techniek had ik bij kinderen al gezien, maar een volwassen vrouw dit zien doen is echt heel smerig. In een bergdorpje ligt een bloederige afgehakte koeienkop de deur op te houden. De kinderen rennen door die deur naar binnen en buiten. Ze vragen om geld door een liedje te zingen of te jongleren met een balletje. Ik geef niets, omdat het het bedelen alleen maar verergert en uiteindelijk het probleem niet oplost. Dat is wel eens lastig en zielig. Kleine ervaringen kunnen soms best wel grote indrukken achterlaten.

Op de zoutvlaktes spelen we met de diepte om grappige foto’s te maken. De lucht is helderblauw en het zonlicht op het spierwitte zout doet zeer aan je ogen. Het is ongelofelijk bijzonder, een woestijn die volledig uit zout bestaat. Met een jeep scheuren we over de kristallen. Een eiland met enorme cactussen erop is het enige teken van leven, samen met het mysterieuze kolkende water. Het water lijkt te koken, maar is ijskoud. Een chemische reactie die door bepaalde mineralen in het zout wordt veroorzaakt. Ik zit naast de Japanse Reina en samen maken wij de standjes voor de foto’s. Het is rond het vriespunt en helaas zijn door te veel sneeuwval bepaalde gebieden niet te bereiken. Een goede reden om nog eens terug te komen naar het mooie Bolivia dat mij zo aangenaam verrast heeft. 



Terug in Peru ben ik klaar of eigenlijk helemaal niet voor misschien wel mijn grootste avontuur. Na 2 weken kiespijn en pijnstillers lig ik nu toch in de tandartsstoel. Overgeleverd aan de jonge handen van deze Peruaanse tandarts. Het Spaanse woord voor verdoving heb ik nog even opgezocht en met een zacht stemmetje vraag ik voordat de boor naar binnen gaat, el anestasie, por favor? Nee, dat is niet nodig zegt Jezus (spreek uit Gèsuuz). Ik tel steeds tot 10 en dan stop ik weer, zegt hij. Het boren in mijn tanden stinkt en ik zie de handen van Jezus wit worden van het slijpsel. Er gaat hier voor een vermogen aan ivoor de lucht in. Ik vertrouw hem. Ik denk dat hij wel weet wat hij doet, hij heeft het me ook verteld, maar dat begreep ik niet allemaal. De behandeling duurt een uur en alle problemen lijken opgelost. Ik reken af (60 euro) en bedank Jezus hartelijk voor de hulp.

Met een vers gebit beklim ik de kust en de woestijn van Peru. Die twee raken elkaar hier waardoor het strand helder rood is. Het is verbazend hoeveel de woestijn kan veranderen van kleur, hoogte en verschillende zand texturen in een rondje van 40 kilometer fietsen. Het is heerlijk om weer even de vrijheid van zelf sturen te ervaren na al die uren in de bus. Ik denk dat ik de afgelopen 2 maanden zeker 2 weken in de bus heb gezeten. De afstanden zijn enorm, maar vliegen is duur en ergens vind ik het ook fijn om het gevoel van afstand te ervaren en niet te worden opgepikt en weer gedropt in een nieuw land. Bussen zijn goed geregeld en er is veel keuze. Van superluxe met eten, een eigen tv en stoel die volledig achterover klapt, tot aan knieën in je nek, tussen de babyluiers en boeren die met verse stront aan de laarzen naast je komen zitten. Ik probeer meestal ergens tussen de stront en de luxe in te zitten. Maar soms trakteer ik mezelf op een filmavond in de superluxe variant, die lijkt op een stoel in de business klasse van een vliegtuig. De kosten zijn bijvoorbeeld 25 euro voor 12 uur rijden. Ter vergelijking: de strontkar kost dan 10 euro. De luxe bus rijdt alleen in Peru en daarom heb ik die nu weer gekozen. 



Helemaal relaxed, ik hoef ook niet op mijn spullen te letten hier, wacht ik netjes op tijd tot de bus gaat vertrekken. Maar ineens schiet het door mijn hoofd. Mijn geliefde oranje broek hangt nog, samen met een onderbroek en bh aan de waslijn van het hostel. Er schieten razendsnel gedachtes door mijn hoofd: laat maar hangen, nee ga halen, dat redt je niet, dat redt je wel, kom op rennen dan. Ik ren zo hard ik kan en dat is dus niet zo hard en vindt mijn kleren nog aan de waslijn. De oranje broek, waar ik inmiddels door andere reizigers aan herkent wordt als ik ze weer tegen kom, is ook de enige die ik bij me heb. Daarnaast heb ik alleen een legging. Menig reiziger is jaloers op mijn lichte bepakking en ik ben er zelf ook erg blij mee. Ik ren weer zo hard als ik kan terug naar de bus die een half uur vertraging heeft. Mooi, dan kan ik nog even opdrogen in het zonnetje. 

Er zitten wel duizenden vogels op de kleine eilanden van Ballatas. Pinguins waggelen rond en zeeleeuwen liggen op de rotsen te zonnen. Ik denk echt dat zeeleeuwen (en zeehonden) mijn favoriete dieren zijn. Of misschien toch pinguins, of toch een olifant die ik graag ooit nog eens in het wild zou willen zien. De duizenden vogels produceren enorme hoeveelheden poep en de Peruanen exporteren dit naar ieder die het vruchtbare goedje maar wilt hebben. Het stinkt ook rond de eilanden dus we blijven veilig in de boot zitten. Niet veilig genoeg om een vogelpoepje te ontwijken, maar vogelpoep op je kop brengt geluk heb ik wel eens gehoord.



Ik ben maar kort aan de kust, want ik ik schrijf alweer vanaf grote hoogte vanuit het Andesgebergte in Huaraz. De komende 5 dagen ga ik de beroemde Santa Cruz trek doen. Hiken, kamperen, uitzichten, sneeuwtoppen, gletsjers, meren en een op hol geslagen hartslag. Ik heb er zin in.