Terwijl ze de kip van haar veren ontdoet en openreet vertelt ze over het dorp en haar familie. Ze trekt vakkundig de ingewanden eruit en gooit het vlees in een teil en alle ingewanden in een ander teiltje. Ze stond erop dat ik wat te eten nam en ik heb een bordje met bonen en mais gekregen. Ik neem voorzichtig wat hapjes uit het bord terwijl ik kijk hoe ze de nagels van de poten afhakt. Veel bloed is er niet, dat heeft ze net uit de nek van de kip in de achtertuin laten lopen. Ik doe mijn best om geïnteresseerd te blijven kijken, maar de bonen blijven achterin mijn keel steken en mijn maag protesteert. De voorbereidingen voor het bruilofstfeest zijn in volle gang, maar voor een passerende voorbijganger in hun kleine dorp wordt even tijd gemaakt. Inmiddels spreek ik wat Spaans en dat is echt een waardevolle toevoeging. Ik kan contact maken met de locals en die waarderen mijn Spaanse gehakkel ontzettend. De kip laat ik in de keuken aan haar lot over en ik zoek wat buitenlucht. Voor ik het weet ben ik omringd door zo’n 8 dorpelingen die allemaal ontzettend nieuwsgierig zijn naar deze vreemdeling. Ik krijg een glas sap, een alcoholische shot en er wordt zelfs gevraagd of ik blijf overnachten. Het laatste aanbod sla ik dankbaar af. Al had het misschien een mooie ervaring geweest, heb ik toch niet zo zin om tussen de dorpelingen in de stroschuur te slapen. Samen met Claudio (Italia) en Fernando (Chile) heb ik de lange wandeling naar de waterval afgelegd. De waterval is 771 meter in totaal, een enorm spektakel als je er beneden staat. De mannen willen graag ook de waterval van boven zien en dus stem ik in om de klim naar boven te wagen. Terwijl zij nog naar een extra uitkijkpunt lopen ben ik boven vast naar het dorpje gelopen. En nu zit ik hier met een glas sap uit een vieze emmer en een waslijst aan vragen, ik had niet zo’n warm onthaal verwacht.
De jongens komen na een uurtje ook en genieten mee in het feestgedruis, maar de zon verdwijnt en we moeten de laatste bus naar huis nog zien te halen. Dat lukt niet helemaal en in het donker staan we met onze duimpjes omhoog langs de donkere bergweg. Bang ben ik niet samen met deze 2 jongens. Ik denk eerder dat de automobilisten bang zijn om 3 verdwaalde mensen in het donker mee te nemen. Gelukkig duurt het toch niet erg lang en hebben we een lift terug naar Chachapoyas, een klein dorpje in het Noorden van Peru.


Samen met Fernando ga ik naar Kuelap. Een dorp met Inca ruines, maar dan zonder de hordes toeristen zoals in Machu Pichu. Ik vind het minstens net zo indrukwekkend. Vooral met de verhalen van de gids erbij, die we stiekem van een andere groep afluisteren. Met de kabelbaan, die pas sinds februari open is, worden we in het 2000 jaar oude dorp gedropt. Dat scheelt een hele wandeling en zo hebben we uitgebreid te tijd om alle ruines te beklimmen en te bekijken.


Het paard rukt zich los uit de greep van de ezelman, struikelt en valt om. In paniek krabbelt het paard overeind maar valt nog een keer. Weer komt het paard overeind maar heeft zich nu bezeerd en strompelt hinkend en half rennend verder, maar nog steeds in paniek en uit balans valt ze weer om, dwars door de grote gezamenlijke tent. Deze scheurt doormidden en gelukkig weet het paard zich gelijk los te trekken uit de verstrikking van het tent doek. De tent stond vast met pinnen van een halve meter en ik ben opgelucht te zien dat het paard, in totale paniek en verwarring, maar zonder wonden verder de groene heuvel op rent. De ezelman probeert met ongelofelijk veel geduld en een voorzichtige benadering het paard alsnog weer te pakken te krijgen. Met behulp van en andere paardenfluisteraar hebben ze een half uur later het paard te pakken. Ik heb het hele gebeuren in mijn eentje staan aanschouwen want de rest ligt nog te slapen in hun tentjes. ‘Jeetje, dat paard had ook wel op een van onze tentjes kunnen vallen’, is een van de eerste reacties als ik het spektakel aan de rest vertel. ‘Dan ben je wel hartstikke dood’. Daar had ik nog niet echt over nagedacht. Ik was blij dat het paard in orde was en vond het vooral lullig voor de ezelman dat de tent kapot was, want daar zal hij wel voor moeten opdraaien. We noemen hem de ezelman omdat hij ervoor zorgt dat alle ezels of paarden onze spullen steeds naar het volgende kamp brengen. Zo hebben we ook de kookman en onze verdwaalde gids die we af en toe eens op zien duiken. Met zijn drieën leiden ze ons door deze 5 daagse Santa Cruz trek door de noordelijke Peruviaanse Andes. De mooiste wandeling die ik tot nu toe gemaakt hebt met voortdurend witte sneeuwtoppen, een wilde rivier, watervallen, loeiende koeien en stieren, groene valleien en glimmende rotsen. De wandeling is ook zwaar met het hoogste punt op 4750 meter. De koude nachten met weinig rust in de lekkende tentjes en slaapzakken die naar ezelstront ruiken maken het vooral vermoeiend. Midden in de nacht proberen we met stokken en plastic de regen uit de tent te houden, maar we kunnen niet voorkomen dat ook in de tent een paar kleine meertjes ontstaan. Mopperend op mezelf beklim ik stapje voor stapje de berg, terwijl mijn hart uit mijn borstkast klapt. Ik vergeet de moeite snel als ik even opkijk en de prachtige uitzichten zie. Een ijskoud gletsjermeer laat me even helemaal alles vergeten, want de kou is zo hevig dat ik moet concentreren om te blijven ademen. Ik heb het idee dat mijn beginnende rimpels en eerste huidverslappingen gelijk weer zijn rechtgetrokken. Ik heb weleens gelezen dat Audrey Hepburn zweerde bij een ijsbad om de zoveel tijd om de huid strak en fris te houden. Ik weet nu zeker dat dit klopt. De eindstreep is pas echt bereikt als het busje ons tergend lanzaam vanwege de slechte hobbelige weg in 6 uur terug naar de stad brengt. Het hostelbed voel aan als thuiskomen met een dik matras, frisse lakens en droge voeten.




Onder de paracetamol en ibuprofen probeer ik de oversteek naar Ecuador te gaan maken. Er rommelt alweer iets in mijn mond en de laatste dagen heb ik het aardig weten te onderdrukken, maar vannacht in de bus is de pijn alleen maar erger geworden. Ik voel aan mijn wang en mijn mond voelt dik en gezwollen. Ik open de selfiecamera op mijn telefoon en zie tot mijn schrik dat er een pingpongbal in mijn wang groeit. De bus is heet en vol met naar slaap stinkende mensen en mijn kaak klopt paniekerig. Net zoals een klein kind dat net zolang aan je broekspijp blijft trekken totdat je in actie komt. Ik moet nog overstappen naar een andere bus en minstens 10 uur reizen voordat ik in Ecuador ben. Met mijn groeiende wang zie ik dit niet zitten en mijn kloppende wang maant me tot een actie plan. De stad waar ik nu ben aanbeland (Piura) om aanvankelijk over te stappen toont groot, saai en onhygienisch. Ik moet naar een plek waar ik naar een dokter kan, een plek waar ik me op mijn gemak voel. Er rollen een paar tranen over mijn wangen, ik kan ze niet tegen houden. Zo onopvallend mogelijk probeer ik ze weg te vegen. Ik zit nu echt niet te wachten op goedbedoelde Peruaanse bemoeienissen. Ik speur de kaart af en zie het kustplaatsje Mancora dat op 4 uur reizen ligt. Ik weet dat het erg toeristisch is, een feestplaats vol met vastgeroeste backpackers, luxe boottours en surfers die meer met hun verschijning op het strand dan met hun skills op het water bezig zijn. Niet echt mijn kopje thee, maar nu lijkt het mijn beste kans. Ik vind een populair hostel en probeer wat te slapen, maar dat lukt niet. Vele jongeren hangen rond het zwembad met harde muziek en de feeststemming zit er al vroeg in. Het draait hier om zien en gezien worden en ik voel me nog ellendiger met mijn dikke gezicht en mijn rode holle ogen met zwarte wallen eronder. Ik bestel bij de bar een ijszak en ga weer terug naar mijn bed. Het smeltende ijs drupt samen met wat zoute tranen op mijn kussen. Mijn hoofd klapt bijna uit elkaar en ik voel me eenzamer dan ooit. Bang voor wat er rommelt, bang voor wat ik heb, onzeker over wat ik moet doen. Ik sleep mezelf naar de receptie en vraag om een dokter in het dorp. De tuktuk brengt me erheen en zachtjes snikkend zit ik op zijn achterbank. Ik moet denken aan alle wilde plannen die ik heb, aan het geluk dat ik aan het reizen ben, dat ik kan doen wat ik wil, dat ik bevoorrecht ben, dat ik nog zo veel wensen heb, maar dat ik nu even niks anders wil dan van die klopgeest af. En dan moet ik denken aan de mensen die echt ernstig ziek zijn. Die willen maar 1 ding en dat is beter worden. Ik recht mijn rug en stap het gezondheidscentrum binnen. Er zijn verschillende kamertjes en het ziet er allemaal heel eenvoudig uit. Ik neem plaats in de wachtkamer waar de andere patienten al snel besluiten dat ik maar eerst naar binnen moet bij de dokter. De deur blijft gezellig open terwijl de doker met zijn stokje in mijn mond kijkt en constateert dat er een ontsteking ergens onder mijn kies zit. Hij begint wat op een blaadje te krabbelen, ik betaal hem 10 soles (€2,75) en hij stuurt me naar het kamertje aan de andere kant van de gang. Hier krijg ik een rits pillen en een injectienaald met 2 potjes vloeistof in een zakje en betaal wederom 10 soles. Ik begrijp niet waarom ik de injectienaald mee krijg, kan ze die niet gelijk even toedienen? Dat ga ik toch niet zelf doen? Maar nog een deurtje verder trekt de zuster mijn onderbroek een stukje naar beneden en plant de spuit in mijn lichaam. Alles onder toeziend oog van de wachtende in de wachtkamer. Het geheel neemt een uurtje in beslag en al een stuk opgeluchtiger dat ik in ieder geval gezien ben door iemand en wat chemicalien gekregen heb om de ontsteking af te remmen ben ik weer terug in het hostel.


Mancora is een stuk aangenamer dan ik had verwacht en ik geniet van de dagen aan het strand. Bovendien is mijn Chileense vriend Fernando inmiddels ook aangekomen. Enig nadeel van Marcora zijn de honderden sprinkhanen die je ook ‘s nachts in bed vergezellen. Het lijkt de vloek van de farao wel. Ook heerst het dengue virus hier en daarom vertrek ik na 4 dagen toch maar richting Ecuador. De ontsteking is nog niet weg, maar in de spiegel zie ik weer reis- en verwonderlust.

De start in Ecuador is ontzettend aangenaam. Ik heb voor het eerst sinds 2,5 maand weer eens bruin brood gegeten en een hemels lekkere koffie gedronken. Bovendien kun je hier in Cuenca water uit de kraan drinken, een unicum in Zuid – Amerika. Het voelt goed om een nieuw land te gaan ontdekken. Hopelijk blijft het bij het ontdekken van de cultuur en de natuur en wordt ik geen expert in de medische wereld in Zuid-Amerika. Toch is ook dat onderdeel van het avontuur. Dat kan ik nu zeggen, op het moment zelf wilde ik gewoon in Nederland zijn. Maar geen zorgen, ik kom nog niet naar huis. Ik blijf reizen en erover schrijven. Ecuador, ik moet mezelf nog even knijpen dat ik hier echt ben. Het klinkt zo exotisch en zo ver weg en dat is het ook, maar ik ben er echt. Ik ben er.