Ik schrik wakker als ik merk dat de motor van de boot ermee stopt. We zitten midden in een storm op open zee tussen Colombia en Panama. Hoge golven worden tegen de boot gesmeten en bliskem is overal om ons heen. Ik sliep er aardig doorheen, inmiddels gewend aan het lekkende zeewater op mijn rug en aan het gestuiter van de boot. De klapperende touwen en het suizen van de wind. Aan de pratende mensen, de snurkende en de kotsende. Maar nu de herrie van de motor ineens weg valt zit ik rechtop in mijn bed. Ik klim uit de punt van de zeilboot en wankel, mezelf vasthoudend aan alles wat ik grijpen kan, naar het buitendek. De klep naar de motor is geopend en Kapitein Rudi heeft het al gezien. Ik vraag waarom de motoren gestopt zijn en bedenk me dat dit een van de eerste zinnen is die in de Titanic ook aan de kapitein gevraagd wordt, nadat ze op de ijsberg zijn geknald. Het Carribische water is warm en de wind is zout en plakkerig, geen ijsbergen hier, maar de motor is stuk en valt niet te repareren. We zullen moeten zeilen, zegt Rudi. En terwijl alles hiervoor gereed gemaakt wordt, keer ik terug naar mijn stuiterende bedje. Een paar uur later wordt ik weer wakker en de rust op de boot is wedergekeerd. Iedereen slaapt en het lijkt alsof we voor anker liggen. Op het dek zie ik dat we meer dobberend dan varend aan het zeilen zijn. Ik had verwacht dat de motor wel gemaakt zou zijn, want het kan toch niet zo zijn dat we echt zijn overgeleverd aan de wind. De kapitein heeft de boot vannacht omgekeerd en we zijn terug naar Cartagena aan het varen. De motor is echt stuk, zo dood als een pier en zeilen naar Panama is geen optie, want de wind staat verkeerd. Hoe lang de trip terug naar Cartagena gaat duren is onbekend. Misschien 2 dagen, misschien 4 als het tegenzit. Gister voelde het open water van de zee bevrijdend, vandaag voel het open water benauwend. Vast op een boot.Om 10 uur voeren we weg uit Cartagena, ik, samen met 6 andere Nederlanders, 2 Australiërs en de Italiaanse kapitein. Echt zeilen zat er niet in dus de tocht van 4 dagen zouden we met de motor afleggen. De eerste 30 uur zouden we aan een stuk door varen richting de San Blas eilanden om vervolgens wat meer tijd te hebben om van de prachtige eilanden te kunnen genieten. Maar na 18 uur varen is de boot ermee gestopt en moeten we op de zeilen terug zien te komen. Iedereen denkt aan de mooie eilanden die we missen, de geboekte vluchten vanuit Panama die we niet halen, maar vooral aan het onzekere gevoel van dobberen op de open zee. De angst voor te weinig wind, maar ook de vrees voor te veel wind en nog weer een heftige storm.

Een maandje geleden stond ik aan de poort van Colombia. Samen met Shayna, een 22-jarige Nieuw Zeelandse, doorloop ik het immigratie proces. Met een glimlach van de official en een verse stempel in ons paspoort maken we onze eerste stappen in dit beruchte en gevaarlijke land. Het valt gelijk op dat de Colombianen ontzettend vriendelijk en behulpzaam zijn. Ze doen hun best om je welkom te laten voelen en ze zijn ontzettend blij dat wij, ondanks hun reputatie, hun land bezoeken. Het geloof is belangrijk en tussen de witte koloniale huizen staan prachtige kerken gebouwd. Iedereen die langs een kerk loopt slaat vluchtig een kruisje. Na de indrukwekkende kerk in Ipiliaes klimmen we in Popayan de heuvel op voor een uitzicht op de stad. Een oude man houdt ons tegen en geeft aan dat het niet veilig is voor jonge knappe meisjes zoals wij. Er is daar gespuis en ze roken wiet. We kunnen beter aan de andere kant van de heuvel starten. We nemen het advies van de oude man aan en klimmen een beetje op onze hoede, naar boven. Het uitzicht over de witte stad is mooi en zoals in vele steden staat ook hier een groot kruis bovenop de heuvel. We besluiten het rondje af te lopen en toch langs de gevaarlijke plek te lopen. Het is klaarlichte dag en we hebben niets bij ons. Het zijn vast een paar onschuldige hangjongeren die een wietje roken. Bovendien is het een toeristische wandelroute die op een bordje staat aangegeven. We ruiken de wiet al als we in de buurt komen en zien in de bosjes 4 jongeren, gehuld in ziekenhuis uniformen, een pretsigaret aan elkaar doorgeven. De studenten van de medische faculteit schrikken meer van ons dan wij van hen. Het eerste gevaar in Colombia is getrotseerd.


We hebben hobbel VIP plaatsen. Achterin het oude krakkemikkige busje, bovenop de wielen. We moeten 100 kilometer rijden, maar met 10-20 kilometer per uur is dit een heel eind. De hobbels, kuilen en gaten zijn enorm. De stank van de diesel is continu aanwezig en tot onze ergernis stopt de chauffeur bij elk huisje dat we tegen komen om een praatje te maken of om nog iets op te laden in het al overvolle busje. We worden regelmatig ingehaald door solide 4WD’s, vervoer dat wij ook voor ogen hadden, maar dit bleek toch anders. De beloofde 3 uur wordt 6 uur, maar het archeologische park, waarvoor we deze rit naar San Augustin afleggen is het zeker waard. Na alle Inca ruïnes is het interessant een totaal andere stijl van beelden en ruïnes te zien. Wat de beelden precies betekenen zal altijd een gok blijven, maar er zijn prachtige indianenverhalen over te vertellen. 


Ik probeer de pasjes van de juf mee te doen en ondertussen met mijn heupen te wiegen. Je kunt Colombia niet bezoeken zonder een Salsa klasje mee te pakken. Overal hoor je de muziek en de Colombianen dansen er lustig op los. Ik dacht dat ik er wel onderuit kwam door alleen te kijken, maar nu sta ik toch als een houterige Hollander de salsa mee te doen. Met een paar makkelijke pasjes ziet het er al best salsa achtig uit en ik vind het veel leuker dan gedacht. 

De wandeling in dezelfde stad, Cali, is anders dan de steden die ik tot nu toe in Zuid Amerika zag. De stad is groot en is pas 10 jaar geleden bevrijdt van haar criminele verleden. Het duurt langer dan 10 jaar om een stad weer veilig te krijgen en ik voel het verleden nog in de straten hangen. Er is veel armoede te zien. Daklozen met ingevallen wangen en holle oogkassen: drugs. Er liggen veel mensen op straat op kartonnen dozen. Sommige ijlend met hun handen in de lucht, grijpend naar iets dat alleen zij zien. Andere steken rennend en wankelend een straat over zonder maar te kijken naar het verkeer. Nog weer andere proberen met een opgehouden hand wat geld binnen te halen. En dan zie je ook veel mensen in pak. Gouden kettingen, mensen met overgewicht en moderne luxe gebouwen met de airco op standje vrieskist. Het is druk en er wordt van alles verkocht.
In Medellin begin ik te wennen aan het straatbeeld. De gevaarlijkste stad ooit, maar nu ooit de gevaarlijkste stad. We bezoeken een wijk die vroeger middelpunt was van drugskartels en criminaliteit. De huizen zijn klein met smalle steegjes tegen de heuvel geplakt. Precies zoals ze op tv laten zien als ze zo’n crimineel interviewen in zijn eigen omgeving. We leren meer over Pablo Escobar en dat zijn naam niet hardop gesproken kan worden in de straten. Voor veel mensen is het een pijnlijk onderwerp en hardop over hem praten zou kunnen insinueren dat we hem vereren. De meeste mensen spreken geen Engels dus de gids kan over hem vertellen op straat, maar gebruikt schuilnamen als ‘the big criminal’, ‘that guy’ en ‘you know who’. Het is bewonderingswaardig hoe opgewekt, vrolijk en vriendelijk de Colombianen zijn. Iedereen heeft familieleden verloren of heeft dierbaren die zijn vermoord onder het regime van Escobar. Onschuldige mensen, die toevallig in hetzelfde vliegtuig zaten als de drugsbaas die Pablo vermoord wilde hebben. Om hiervoor te zorgen blies hij gewoon het hele vliegtuig op met al haar inzittenden. Een van de vele gruweldaden die Escobar op zijn naam heeft. Met het overlijden van hem, overlijdt ook een hoop criminaliteit. En Colombianen hebben geleerd zich vast te grijpen aan elk beetje geluk dat ze kunnen vinden en daar alles uit te halen. Zo wordt de Tour de France in elk cafe uitgezonden. Iedereen kijkt, en de Colombiaan hoeft niet te winnen, het feit dat hij meedoet is al een feestje waard. Halen ze de kwartfinales met de voetbal, maar verliezen de wedstrijd? No problemo, laten we vieren dat we het haalde tot de kwartfinales. Deze positieve instelling maakt Colombianen prachtige mensen.

Vandaag de dag is Colombia nog steeds de grootste leverancier van cocaïne. Alleen zijn de praktijken van de stad naar de jungle verhuisd. Dit maakt de stad wel leefbaarder, maar zolang er vraag blijft naar cocaïne, blijft Colombia een probleem houden. Het echte gevaar is echter, volgens de locals en vele toeristen, dat je langer wil blijven in Colombia dan gepland.


Op mijn rug heb ik een klein Colombiaantje zitten en samen rennen we de berg af. Paragliden is niet zo gevaarlijk, want de parachute is al uitgevouwen, zo heb ik mezelf voorgehouden. De minuten voor het startsein lijken wel uren te duren. Ik weet niet precies wat er gaat gebeuren, maar we moeten wachten op de juiste windvlaag. Run! Run! Run! roept de piloot terwijl hij een harde ruk aan de parachute geeft. Voordat ik goed en wel in beweging kom, trappen mijn beentjes al in de lucht. Door warme bellen in de lucht komen we met cirkelbewegingen verder omhoog. Een beetje misselijk wordt ik er wel van, maar het uitzicht over de bergen is prachtig. Roofvogels vliegen op dezelfde hoogte met ons mee. Ik heb een comfortabel zitje en geniet van de ervaring. Ik dacht dat we langzaam naar beneden zouden zakken, maar we landen weer op dezelfde plek als waar we 40 minuten geleden begonnen.


Ik vlieg door naar een afgelegen dorpje in de bergen. Als veevervoer zit ik achterin een pick up truck. Het is regenachtig, dat is het steeds, en dat maak alles zo prachtig stralend groen. Er hoppen wat locals in-en-uit de pick-up truck, verbaasd bij het zien van een wit meisje met sandalen en donkerblonde haren. We ontwijken wat koeien, worden ingehaald door cowboys op paarden en links en rechts worden wat pakjes afgegeven of weer meegenomen. Bij de rivier, waarvoor ik hierheen gekomen ben, ontmoet ik de Zwitserse Nadia. Samen badderen we in de grote rond geslepen gaten in de stenen rivierbodem, bezoeken we nationale  parken en schattige dorpjes. 



In de nachtbus naar het Caribische Noorden ontmoeten we elkaar weer en hebben toevallig een plek naast elkaar. En terwijl we slapen wordt het weer langzaam heter, is de muziek veranderd van Salsa in Bob Marley tunes, worden de mensen donkerder, de lucht blauwer, verdwijnen de bergen en belanden we aan de Caribische zee met haar tranquilo vibe. Gelijk maar even onder water koekeloeren met een flesje zuurstof en een masker. We komen een zeepaardje tegen, vastgeklemd met zijn staart om een plant en zo groot als mijn hand. Weer boven water, waar de zon net de zee in zakt, kunnen we lachen en gillen en elkaar high-fiven op deze prachtige duik. Onder de roze lucht varen we met het bootje terug naar het strand dorpje, waar de muziek is aangezet en de geur van gebakken eten ons hongerig maakt. Het eten wordt uitgebreider en gevarieerder en ik ben erg blij te ontdekken dat de Mexicaanse keuken zich hier in Colombia al opent. Tacos, burritos, quesadillas, tortillas en nachos… Oehlalala! 


De echte hitte zoeken we in de woestijn in het Noordelijkste punt van Zuid-Amerika. Een woestijn aan de zee, een echte woestenij met cactussen en doornplanten, een berg afval, heet en droog en uren rijden uit de bewoonde wereld. Een perfecte plek om te leren kitesurfen en we wagen ons aan een les met onze wietrokende, vriendelijke instructeur. De kracht van de vlieger is enorm en allebei vliegen we bij een verkeerde stuurbeweging door de lucht, het zeewater als landings kussen. We drinken biertjes met andere kiters en zingen liedjes bij het kaarslicht. In het hostel slapen we onder de sterrenhemel in een hangmat, geweven van diepe sprankelende kleuren. Eigenlijk een stuk comfortabeler dan we dachten en door de hitte en droogte zijn er geen muggen die ons kunnen vervelen. We kijken uit ons hangmatje naar de zonsopkomst en snoezen daarna nog weer wat verder. Winkels zijn er niet, geen wifi, geen stromend water en geen elektriciteit. Maar de sfeer is geweldig en dat maakt dat we 4 dagen blijven hangen. De mensen leven hier heel minimalistische en elke cactus is ‘versierd’ met 10 plastic zakken. Afval is een groot probleem, zoals in alle landen waar ik tot nu toe ben geweest. Op het strand vraagt elke morgen hetzelfde jongetje om galletas (koekjes). Het is is zielig om steeds weer te moeten zeggen dat ik die niet heb, maar overal wordt sterk afgeraden om bedelende kinderen iets te geven. Bovendien zijn koekjes nog slecht voor ze ze ook, zonder enige tandheelkundige zorg. Ik vind een fruit vrouwtje en koop wat sinaasappels. Kinderen vinden mij weer en ik deel de sinaasappels uit. De moeder komt eraan met haar armbandjes die ik niet wil kopen. Ik versta Spaans, maar je hoeft het niet te kunnen spreken om te begrijpen dat de vrouw mij uitmaakt voor slecht mens en dat het oneerlijk is dat ik meer geld heb dan haar. Misschien is dat wel zo, maar ik probeerde vriendelijk te zijn door de kinderen sinaasappels te geven. Gelukkig zien de vrouw en de kinderen er verder gevoed en gezond uit en probeer ik me niet al te schuldig te voelen.



In het Tayrona National Park voelen we ons inmiddels ware avonturiers en verkiezen een hangmat boven een bed om in te slapen. De nacht is onstuimig met onweer en een harde wind, maar we hebben wel een dakje boven ons hoofd. Het park ligt aan een prachtige blauwe zee. We hiken naar het midden van het park waar nog een oude tribe woont. Tot onze verbazing zitten 3 mensen op de grond op een rijtje elkaar te vlooien. We proberen niet te erg te staren en rustig door te lopen. De huisjes zijn van bamboe en riet. Ze dragen allemaal dezelfde witte kleding, gemaakt van iets dat op jutte lijkt. Ze hebben lange zwarte haren en mooie bruine gezichten. Op de terugweg ontmoeten we spinnen, apen, omgevallen bomen, gekleurde vogels en duizenden mieren die altijd in de weer zijn met mooie groene blaadjes. Nadia is erg behendig en helpt mij af en toe als er weer grote gladde rotspartijen op ons pad liggen. Het is echt een Inca trail, alleen zijn we op deze de enige en dat maakt het extra bijzonder. De liters en liters verloren vocht vullen we aan met koude biertjes die terug in het kamp op ons wachten. We hebben erg ons best gedaan om een beetje bij te kleuren en zijn klaar voor onze laatste bestemming in Colombia, het populaire en toeristisch Cartagena. 


In het centrale park hangt een luiaard op zijn gemakkie in een boom, rennen apen elkaar achterna, maken papegaaien de hardste herrie, cirkelen eekhoorns rond de boomstam en maak ik een selfie met een enorme leguaan. De stad is prachtig met verschillende kleuren huizen en streetart om de boel verder op te fleuren of om een statement te maken. Onze laatste dagen samen bakken en zwemmen we op isla grande. Nadia neemt het vliegtuig terug naar Zwitserland en ik stap op een prachtige zeilboot richting Panama en de San Blas eilanden.



We zijn in 8 uur tijd, 2 mijl verder gezeild. De heftige storm is uitgebleven, maar helemaal geen wind was ook niet de bedoeling. Wachten tot de wind opsteekt is het enige wat we kunnen doen.We horen wat Spaans geroep en geluid van motoren. Een reddingsboot heeft ons gevonden en sleept ons terug naar Cartagena. 52 uur later, sinds vertrek, zetten we onze zeebenen op vaste grond. Ik neem afscheid van mijn medereizigers en stap de volgende ochtend als enige van de groep weer terug op de African Queen. Samen met de kapitein hijs ik de zeilen als we de haven verlaten en maak ik me klaar voor weer een avontuur. De hengels gaan uit en ik installeer mezelf met een boek op het dek. Veel kans krijg ik niet om te lezen, want de lijn van de hengel schreeuwt dat er iemand aan de haak hangt. We stoppen de boot en de Rudi snelt naar de hengel. Ik geef hem zijn handschoenen aan, bind een tuig bij hem om en druk een zonnebril op zijn neus. De hengel leunt in het tuig en met een hoop kracht haalt hij langzaam hetgeen dat aan de lijn hangt naar binnen. Een haai! Fuck het is een haai! Ik wil geen haai vangen. Voordat ik op de boot stapte besloot ik me over te geven aan het avontuur. Leven op en van de zee, dus ook vissen en de vis eten die ik zelf (met hulp) gevangen heb. Maar nu er een haai aan de haak hangt ben ik niet zo zeker meer. Maar het is het avontuur en of je nu een haai, een zalm, een forel of een kreeft vangt, dat maakt eigenlijk niets uit. Een leven is een leven en deze haai is de ongelukkige vandaag.

Het is een gedoe om hem binnen te halen. Hij is zeker een meter. Met een hamer slaat Rudi wel 5 keer op zijn kop. Eindelijk is hij dood. We snijden zijn buik open en alle ingewanden komen eruit rollen. Het kleine hartje, zo groot als een walnoot klopt tot mijn verbazing nog steeds en de haai geeft ineens nog een laatste spartel. Rudi snijdt het hart los van de rest en eindelijk is de haai verlost uit zijn lijden. Geen hart, geen leven zegt hij. Hij snijdt zijn kop eraf en gooit die terug in de zee. De vinnen gaan in de soep en de rest van de haai wordt in mootjes gehakt. Een half uurtje later eten we rauwe haai met een heerlijke dressing en wat groenten. ‘Vanmiddag maak ik haaiensteak’, zegt Rudi. Hoewel ik medeplichtig ben aan de gruweldaad eet ik met smaak de haai op. Het hele ritueel, de moeite en het eigenhandig dood maken, maakt het voor mij heel anders dan een kant en klaar filetje in de supermarkt kopen. Terwijl we genieten van onze vangst ratelt de lijn van de hengel alweer. Deze keer een prachtige goudgele dorade. Het omleggen van de vis gaat op een bijzondere manier. Rudi houdt dit vis omhoog en ik giet pure rum in zijn bek. Binnen 2 seconde is de vis dood. Net als met de haai gaat Rudi naar binnen om de vis verder schoon te maken en schrob ik het dek, dat besmeurd is met bloed, schoon. De dorade steak is hemels en ook deze eten we rauw. De rest gaat in het ijs. De nieuwe groep die Rudi van Panama naar Cartagena terug zal varen heeft geluk en kan gelijk aanvallen zonder vissen. Rudi doet een dutje terwijl ik de lege zee over tuur om te kijken of we niet tegen andere boten aan varen. In de verste verte is niets te zien, maar dan zie ik ineens iets uit het water springen. Nog een keer, en nog een keer….. dolfijnen! Dolfijnen! Rudi! Rudi! Ik zie dolfijnen! Hij komt de kajuit uitrennen en we staan springend en gillend bij de boeg van de boot. Inmiddels hebben zich wel 25 dolfijnen aan de voorkant van de boot verzameld en ze springen en zwemmen met ons mee. Ik weet niet hoe ik het heb. Dit is wat ik altijd al eens wilde. En het zijn er zó veel en ze zijn allemaal voor mij en ook een beetje voor Rudi. Als ze uitgespeeld zijn nemen ze de afslag en de rust is wedergekeerd.

Na 2 dagen komen we alsnog in Panama aan. Ik ben blij, uitgelaten en een beetje emotioneel bij het zien van het eerste land. We hebben het gehaald. Ik ben opgelucht en trots dat ik mijn hart volgde. Dat ik toch weer op die boot stapte en dat het een van mijn beste avonturen werd. ‘Wat heb ik toch geluk’, zeg ik met een zucht tegen Rudi. ‘Dat is geen geluk’, zegt Rudi. Dat komt door jou, omdat jij je positiviteit mee nam aan boord en daar ben ik je heel dankbaar voor.