Heb je wel eens een schok van een bliksemschicht gevoeld? Nou, ik nu wel, bovenop de Telica Vulkaan. Het klinkt zo bizar en soms denk ik dat ik het gedroomd heb, maar het gebeurde echt. Terwijl ik een selfie maakte. Selfies zijn echt dodelijk. Mensen vallen in ravijnen, glijden van kliffen of worden plat gereden door een vrachtwagen die ze niet zien aankomen.

We klimmen naar boven om de geweldig grote krater van Vulkaan Telica te bewonderen. De sulfiet dampen komen ons al tegemoet als we de korte hike omhoog maken. De krater is 200 meter wijd en 120 meter diep. Aan de wanden zitten gele, grijze en witte massa’s geplakt. Het zijn verschillende mineralen: sulfaat, ijzer en magnesium. Het is regenseizoen en de meeste middagen zijn gevuld met wolken en bakken warm water die uit de hemel worden gesmeten. We hebben geluk en de zon staat haar laatste uurtje van de dag mooi te stralen boven de krater. We bevinden ons op actieve vulkaan grond. Het rommelt, schuift en stommelt hier altijd. Uitbarstingen uit het verleden hebben vele verborgen grotten gemaakt. Duizenden vleermuizen vliegen dit uur van de dag uit, terwijl wij hun donkere huizen invliegen. Terug uit de donkere holen maken we ons klaar voor het laatste stukje zonsondergang, maar de wolken zijn ingedreven. De groep zit op de berg te genieten van het mooie uitzicht en ik maak even een selfie met mijn uitgestoken arm in de lucht. En dan BAM! Een harde onweersklap en een bliksemschicht slaat in de berg. Ik zie een flits in mijn hand en voel een schokje. Van schrik laat ik mijn telefoon vallen. Het meisje dat voor mij op de grond zat, zegt geschokt dat ze de bliksemschicht precies achter mij zag inslaan. ‘We moeten nu van de berg af en zo snel mogelijk terug naar beneden’, zegt de gids, ‘dit onweer is te heftig’. ‘Natuurlijk moeten we van deze berg af’, roep ik. Als een bange hond met mijn staart tussen mijn pootjes begin ik over het rommelige en losliggende vulkaan gesteente te rennen. ‘Niet doen’, zegt de gids, als je valt zijn we verder van huis. Nog een klap met een directe flits volgt. De donderklappen zijn oorverdovend en suizen als een groep straaljagers na in de grijze wolken. Ik ben voor het eerst in mijn leven echt bang voor onweer. Ik zit er f**king middenin, bovenop een kale berg, waar wij het hoogste punt zijn. Bovendien is deze berg gevuld met ijzer en daarom de perfecte geleider voor bliksem. Net alsof we in een stopcontact zitten waar elk moment een stekker ingestoken kan worden. Elke keer als het bliksemt duik ik weer in elkaar. Straaltjes zweet stromen over mijn rug. Het regent in mijn regenjas net zo hard als daarbuiten. Ik wil hier niet zijn, ik wil niet getroffen worden door de bliksem. Gaar gekookt op een vulkaan in Nicaragua. En plotseling vraag ik me af wat er eigenlijk met je gebeurd als de bliksem je echt goed raakt. Wordt je een soort sudderlapje of is de schok genoeg om je om te leggen. Ik denk aan de film ‘The Green Mile’ en de elektrische stoel. Hoe die oude man langzaam gaar kookt, omdat de spons op zijn hoofd niet nat is gemaakt. Ik ben in ieder geval doorweekt dus misschien zie ik er niet uit als een verkoolde mummie als ik wordt geraakt. Maar ik wil niet geraakt worden, ik moet gewoon van deze berg af. Nu!
Na 40 minuten zijn we terug bij de auto. Een auto! De meest veilige plek waar je kunt zijn tijdens onweer. Het onweer heeft zich overal om ons heen verzameld, maar gelukkig houdt de bliksem nu gepaste afstand. Ik zit in de auto en probeer de situatie zo luchtig mogelijk in mijn gedachte na te vertellen. Dingen gaan gelukkig heel vaak goed en alleen maar soms gaat het mis. Een situatie die gelukkig net goed gaat hoeven we niet de zwaarte van een situatie die echt mis gaat mee te geven. Maar ik kan er niets aan doen en blijf denken aan de bliksemschicht die precies achter mij insloeg. Hoe kan het dat die achter mij insloeg en niet in mij. Ik stond met mijn arm in de lucht de bliksemafleider te spelen. Ik was het hoogste punt op de berg. De bliksem had mij kunnen raken. Maar dat deed de bliksem niet. Het liep af met een sisser, een sisser op de natte hete vulkanische berg.




Nicaragua betekent het land van vuur en water. Ze heeft meer dan 200 vulkanen, waarvan meer dan 20 actief zijn. Daarnaast heeft ze enorme meren die 10% van het land in beslag nemen. Aan de caribische kant spreken ze Engels, in de rest van het land Spaans. Nicaraguanen leven nog onder een dictatuur, een open dictatuur weliswaar. Het gaat redelijk goed met ze, ze zijn veilig, kunnen naar school en studeren. Er heerst wel een hoge werkloosheid, terwijl er veel ‘gemaakte’ (nutteloze) baantjes zijn. De lonen zijn laag en mensen leven met vele generaties in een huis. Het minimum uurloon is 0,85 cent. Eten is goedkoop, maar vooral voor mij en niet voor de mensen met zo’n laag salaris. De mensen, die ook hier zo extreem lief en vriendelijk zijn. Altijd een glimlach hebben en behulpzaam zijn. Te verlegen om je op te lichten of het dubbele van de prijs te vragen. Het is een heerlijk land om te zijn. 




Met een oude autoband drijf ik op het kratermeer van Apoyo. Een slapende vulkaan die inmiddels is volgelopen met schoon regenwater en volgens zeggen vol zit met mineralen voor een stralende huid. Het water voelt aan als zijde, alsof je in de Dove doucholie zwemt. De struiken en bomen zitten vol met vogels die ik niet ken en nieuwsgierige eekhoorns duikelen om de boomtakken. Ik cano rond het meer tijdens de zonsondergang en groet het meer met wat yoga oefeningen bij zonsopkomst. Het is fijn in de natuur van Nicaragua en ik zoek nog wat meer van dit soort gebieden op. Het eiland Ometepe is een waar paradijsje. Twee vulkanen die zich uit een enorm meer hebben gespuwd. Ik laat me overhalen om de hoogste te beklimmen en zo gaan we van zeeniveau naar 1610 meter. De krater is gehuld in wolken dus de beloning na 4,5 uur klimmen is wat teleurstellend. Toch geniet ik van de fysieke inspanning, de mysterieuze zwavellucht en het deel van de enorme krater dat we wel kunnen zien. Bovendien hebben apen, vogels en andere diertjes de klim ook erg waardevol gemaakt. Er is geen spoor van toeristen te zien dus alles is nog zoals het was, zonder hekjes, poortjes, slagbomen of cafeetjes boven op de berg. Ook naar beneden zijn we 3,5 uur zoet. Het is nat en glad en ik ga regelmatig onderuit. Met wat schrammen, bulten en wondjes komen we allemaal zwart van de modder en nat van de regen en het zweet weer beneden. De overvolle lokale bus brengt ons terug naar ons primitieve, maar heerlijke verblijf. Het is een eco hostel, waar alles van bamboe, hout of ander natuur materiaal is gemaakt. Er is geen internet en zo spelen we elke avond spelletjes, drinken we rum met ananassap en praten over onze levens. Het verwondert me steeds weer hoe snel je met mensen kunt klikken en hoe een afscheid na een paar dagen dan best wel jammer kan zijn.




De Vulkaangroep klikt zo goed dat we allemaal onze plannen aanpassen om samen nog verder te reizen. We verlaten de groene jungle, vulkanen en meren voor een paar dagen surfen en feesten in San Juan del Sur. The place to be voor zon, zee, strand en heel veel drank. Nu ik wat vrienden heb gemaakt heb ik wel zin in een feestje. Samen met de Duitse Janine wisselen we feestdagen af met stranddagen, waar ik eigenlijk het meest van geniet. Ze is een sportlerares en weet ook hoe ze mij moet leren surfen. ‘ s Avonds mengen we ons in het feestgedruis en drinken we veel te veel rum. We zoeken na een paar dagen naar rustigere stranden langs de Pacific Coast. De kleine dorpjes met lieve locals, lekker eten, mooie stranden, veel groen en hostels met gezellige backpackers trekt ons toch meer. We nemen een paar dagen afscheid omdat ik de afslag neem naar een andere mooie plek, Playa Gigante. Hier ontmoet ik Annika, een vriendin uit Nederland die vorig jaar haar hart heeft verloren op deze plek. En ik kan zien waarom. Het eenvoudige hostel staat boven op een klif waar je links en rechts vanuit je hangmatje het blauwe zeewater ziet met het zwarte strand en de groene jungle. Het contrast van de kleuren is hypnotiserend, straalt rust uit en is daarmee echt ontstressend. Annika en ik kletsen uren samen weg zonder dat we het in de gaten hebben. Niks lult toch zo lekker, als lekker Hollands lullen. Ze heeft lekkere theetjes meegenomen en zelfs stroopwafels. We doen een roadtripje naar Playa Popoyo waar we ook Janine en nog een andere vriendin van Annika weer zien. We vermaken ons op het strand, waar aasgieren een enorme dode schildpad leeg pulken. Het is schildpaddenseizoen, wat betekent dat ze ‘s nachts aan land komen om eieren te leggen. Op veel plaatsen wordt geprobeerd de eieren zo goed mogelijk te beschermen, zodat er weer veel nieuwe schildpadjes de zee in zullen gaan. Dat blijft lastig, want er zijn veel andere dieren die graag een schilpadden eitje oppeuzelen. Zelf eten we graag een kippeneitje met ‘Galle Pinto’. Rijst met bonen, het nationale gerecht van Nicaragua. Vaak geserveerd met gefrituurde banaan, gefrituurde kaas en gefrituurde tortillas. Jep, ze houden van frituren. In ieder geval is het gerecht vegetarisch, tenminste meestal. Annika en ik roeren allebei verbaasd door onze Galle Pinto. ‘Wat zijn die zwarte dingetjes?’ ‘ Misschien grove peperkorrels?’ ‘ Maar sinds wanneer hebben peperkorrels pootjes?’ Het zijn kleine kevertjes die waarschijnlijk ook trek hadden. We doorzoeken ons eten en als we ieder zo’n 6 kevertjes uit de rijst hebben gevist kunnen we verder met ons ontbijt. Je moet een beetje flexibel zijn in dit soort landen. Regelmatig vis ik wel een haar uit mijn eten. Je kunt hier wel een punt van maken, maar mensen zullen echt niet begrijpen wat nu precies je probleem is. Een haar is een haar, en nu is die haar er uit. Eet smakelijk!



De stranddagen bevallen zo goed en er zijn zoveel gezellige mensen dat we nog een paar nachtjes blijven hangen. Terwijl iedereen nog lekker ligt te slapen staar ik mezelf geschrokken in de spiegel aan. Ik voelde vannacht al dat er iets aan het rommelen was en nu zijn mijn ogen opgezwollen, rood en vol met opgedroogd pus. ‘Wat is dit nu weer?’ Ik loop naar de receptie om hulp te vragen en als ik de lieve dame achter de balie zie barst ik ineens in huilen uit. Ik haal diep adem om mijn gesnik onder controle te krijgen. Gelukkig ziet ze zonder dat ik wat hoef te zeggen waarom ik een beetje heftig reageer. Zelf kijkt ze ook met een geschrokken gezicht naar mij. Ik lijk wel een dracula of de klokkeluider van de notre dame. Ik vraag haar of er een dokter in de buurt is. De tuinman brengt mij acher op zijn brommer naar de kliniek, een half uurtje rijden. Ik wordt weer rustig, maar er gaat veel door mij heen. Ik loop inmiddels al 3 maanden met een ontstoken kies wat me al aardig dwars heeft gezeten en nu komt dit erbij. Ik voel dat ik het vertrouwen in mijn lichaam verlies. Mijn lichaam dat altijd gezond en sterk is. En nu, nu voel ik me in de steek gelaten. Dit kan zo niet langer en achterop het brommertje door de mooie natuur van Nicaragua besluit ik dat ik eerst beter ga worden. De zuster neemt in de wachtkamer, gezellig met de andere mensen om mij heen, mijn bloeddruk op, hartslag, gewicht en lengte. Het voordeel dat ik hier zo vroeg ben is dat ik 2 kilo lichter en 1 centimeter langer ben. De dokter, die zelfs wat Engels spreekt geeft mij oogdruppels en pilletjes mee. ‘Een zeer besmettelijke bacteriële infectie’, geeft ze aan. ‘Het heerst in Nicaragua’ en ik herinner me plotseling de Australische jongens uit het vorige hostel die alledrie rode ogen hadden. ‘Maar zo heftig als jij erop reageert, heb ik nog niet gezien zegt ze’. ‘Ach ja, ik hou nu eenmaal van overdrijven’, zeg ik met een zuur lachje

Iedereen neemt, na echt de laatste dag met elkaar, afscheid en ik reis af naar de stad Leon. Dit zou volgens het internet een stad zijn met een van de beste tandartsen in Midden Amerika. Mijn ogen zijn nog bloeddoorlopen, maar de ergste zwelling is weg. De grote zoektocht naar het juiste advies en de juiste tandarts kan beginnen. Ik bel de verzekeringsmaatschappij (die vergoedt natuurlijk niks), maar geeft wel advies. Ik bel met mijn vriendin Annika die ook tandarts is en inmiddels het hele verhaal kent, met mama natuurlijk en vraag advies bij Nederlandse locals die in Leon wonen. De eerste tandarts geeft weinig vertrouwen. De stoel en het gereedschap ziet er oud en niet schoon uit. Ik heb weinig zin om nog meer infecties op te lopen. Ik vind een andere en daar lijkt alles steriel en netjes. De tandarts, een vrouw, is erg aardig en kundig en we bespreken wat er moet gebeuren. Omdat ik te lang ben blijven lopen met de ontsteking is er inmiddels ook een stuk van mijn kies afgebroken. Daarnaast ziet ze op de foto dat de tandarts in Peru maar half werk heeft geleverd. Om alles op te lossen heeft ze zo’n 2 tot 3 weken nodig. Ik moet nadenken over wat ik moet doen. Ik denk er zelfs over na om terug naar Nederland te gaan, wat ineens een ontzettend goed idee lijkt. Alle opties belicht besluit ik toch om te blijven en me te laten behandelen door de tandarts in Nicaragua. 


Om mijn tijd op te vullen en me nuttig te voelen vind ik een baantje als vrijwilliger in een hostel. Zo slaap ik gratis en heb ik lieve mensen om me heen. Ik help met de schoonmaak, check mensen in en uit, vertel over de tours die ze kunnen ondernemen en doe op mijn vrije dagen zelf ook mee met de tours. Vulkanen bezoeken krijg ik echt nooit genoeg van. Mooie uitzichten zullen nooit vervelen. Zwemmen in kratermeren evenmin. Tussendoor verlamd de tandarts regelmatig mijn mond en heb ik kramp in mijn kaken van de uren durende sessies. Inmiddels ben ik dan ook 2 wortelkanaalbehandelingen verder en 2 kronen rijker. Ik lijk wel een prinsesje. En zo voel ik me ook. Nou ja misschien geen prinsesje, maar wel zo goed als een prinsesje. Ik ben blij dat ik mezelf even deze rust gegund heb. En waar ik eerst dacht dat ik door deze stilstand tijd verdoe, weet ik nu dat ook dit onderdeel van het reizen is. Het langer blijven in dezelfde stad brengt je echt dichter bij de cultuur en de mensen. Ik word herkend, maak vaak praatjes en ik zie wat de mensen doen en wat ze bezig houdt. Ik ken de straten van de stad, ik weet de leuke cafeetjes en waar je het beste eten kunt krijgen. Ik heb mijn favoriete winkels en pleinen. Ik ken de daklozen die ik liever mijdt en ik ken degene die ik soms wat eten geef. Er is deze speciale man. Hij trok mijn aandacht door steeds te roepen: ‘Goodmorning my sister, I love you!’. Natuurlijk zegt hij dit tegen elke toerist die voorbij komt, maar zijn manier van doen maakt het erg grappig. Ook staat hij regelmatig te zingen of te dansen en hij is nog goed ook. Ook zie ik hem schreeuwen, spastische bewegingen maken of heftig reageren naar mensen. Ik vind hem niet eng, maar ik wil toch gepaste afstand houden. Vaak steek ik alvast de straat over, zodat ik niet pal langs hem hoef. Maar gister liep ik bijna tegen hem op en hij greep zijn kans om met mij te praten. Hij vraagt in het Spaans of ik Amerikaanse ben. ‘ No, soy Holandaisa’, zeg ik trots. ‘Ohhhhh Holandaisa’, zegt hij. ‘Hoe gaat het met jou’, ‘Ik hou van Holland’, ‘Tot Ziens’, ‘ Tot straks’. Er komt een stroom aan Nederlandse woorden en zinnen uit rollen. Hij legt uit dat hij religieus is en dat hij een Nederlandse priester (of in ieder geval iemand van de kerk) kende. We kletsen nog wat door. Hij is heel vriendelijk en ontzettend vrolijk. En dat terwijl hij op straat leeft, zijn voeten gezwollen en pijnlijk zijn, maar zijn gezicht opgewekt is en een lach heeft met opvallend witte tanden. Ik begrijp later dat deze bijzondere man ooit succesvol en rijk was, maar dat hij een psychische ziekte heeft, waarschijnlijk schizofrenie. Een triest verhaal dus, want daarom leeft hij nu op straat, omdat er voor dergelijke ziektes weinig hulp en begrip is. Ik voel medelijden, maar ook opluchting. Dat deze man, ondanks zijn bestaan zo opgewekt is. Het is heel inspirerend en het doet wat met me. Het zijn deze kleine dingen die me onbewust veranderen. Toen ik vanmorgen langs liep werd er al vanuit de verte gezwaaid. Zodra ik dichtbij genoeg ben roept hij: ‘Goedemorgen, ik hou van Holland!’ En ik roep terug in het Spaans, ‘Goedemorgen mijn vriend, en ik hou van Nicaragua!’